 |
Zeevolkeren - Griekse beschaving

De Zeevolken waren een aantal volkeren uit
het Middellandse Zee gebied die voor chaos zorgden.
Over de Zeevolkeren is bijzonder weinig geweten. Historici
koesteren alleen maar vermoedens.
Sommige volkeren waren na zwaar mislukte oogsten alleen op
zoek naar nieuwe woongebieden. Farao Merenptah liet
informatie na hoe hij in die periode de hongere Hittieten al
graanvoorraden verstrekte.
Lukka, Sherden en Peleset, wellicht versterkt met de Libu
die aan de oorsprong van de naam Libya zouden liggen, zouden
omstreeks 1100 vC of ten tijde van farao Achnaton in Egypte
zijn aangekomen, Zij zetten hun kamp op in Amarru en niemand
kon hen weerstand bieden, zo getuigen inscripties om
monumenten van Ramses II.
De migranten kwam in de Egyptische Nijldelta toe via het
Libische Cyrenaica en Mersa Matruh, ten westen van de
havenstad Alexandria.
Aanvankelijk leek dit geen bedreiging omdat deze route al
druk bevaren werd voor verbindingen met Kreta en Cyprus.
Snel zouden de migranten, samen met Libu en lokale bewoners
van Cyrenaica, al 16.000 man sterk worden. Zo vormden Lukka,
Sherden, Peleset, Denyen, Teresh, Ekwesh en Shekelesh een
confederatie.
Samen met de Libiërs organiseerden zij zich en dringen zij
via de delta door tot Memphis en Heliopolis.
Merentpah versloeg hen en drong hen terug naar het Noorden,
waar zij zich later zouden herorganiseren.
Volgens sommigen handelden zij tevens als huurlingen. Zij
boden tussen 1220 en 1186 voor onze jaartelling soldaten en
diensten aan. De Zeevolkeren waren blijkbaar zwaar bewapend
met de meest moderne zwaarden. Waarschijnlijk gesmeed in
ijzer.
Zij hadden infanterietroepen, terwijl de toenmalige
stadstaten alleen oorlog voerden met strijdwagens getrokken
door paarden.
De Zeevolkeren brandden alle veroverde steden plat. Egypte
en het Rijk der farao's kregen zij niet klein.
Ook in Libya zetten zij voet aan wal.
Steden die in die periode in de vlammen opgingen waren onder
meer Mykene, Thebe, Pylos, Hasor, Hattusa, Norsuntepe,
Aleppo, Meggido, Ashdod, Ashkelon, Kadesh, Akko, Ugarit,
Mersin, Tarsus. Zij waren verspreid over Griekenland, Kreta,
Anatolia, Cyprus, Syrië, Kanaän.
Ondanks hun historische benaming zouden de Zeevolkeren hun
militaire acties eerst op het vasteland hebben ingezet. Een
aantal historici beweren dat zij hun campagnes begonnen zijn
in Ugarit (vandaag Latakia in Syria. Van daar uit zouden zij
het Hittieten koninkrijk de genadeslag hebben toegediend en
herhaaldelijk, maar vergeefs de farao's, hebben bestookt.
Uit Egyptische bronnen konden historici de namen van een
aantal zeevolken ontcijferen, zoals de Peleset, Ekwesh, de
Lukka, de Shardana, de Teresh of Tursha en de Shekelesh.
De Peleset kwam uit Anatolia afgezakt. Zij zouden de
Filistijnen worden, die aan de basis lagen van het latere
Palestina. De Teresh of Thyreniërs verlieten Taruisa in
Anatolia en vestigden zich nadien waarschijnlijk uit
Tyrrhenië (Tirreno - Italië).
Zij waren voorvaderen van de Etrusken. De Denyen waren
Egeërs, die in de Illias vernoemd worden als de Danaoi. De
Ekwesh of Emesh, een neaam die de Hittieten gebruikten voor
Ahhiyawah kwamen vermoedelijk uit Achaea kwamen, uit
Griekenland dus.
De Lukka zouden uit Lycia zijn afgezakt. Dat rijk lag in
Anatolia in Turkije.
Van de Shardana of Sherden verlieten huidig Cyprus voor hun
rooftochten en zouden nadien op een ander eiland als de
Sardiniërs de geschiedenis ingaan.
De Shekelesh of Sikeloi zouden op Sicilië hebben verbleven.
Zij zouden het vooral op Egypte hebben gemunt gehad en
speelden alleszins een belangrijke rol in het onveilig maken
van het Middellandse Zee gebied.
 |
 |